Moordspel "Doe-het-Zelf" Webwinkel

21.7.06

DOM BLONDJE - deel 8

Wezenloos zit je daar, starend naar de zwarte lettertjes op het witte scherm, terwijl er zoveel gedachten door je hoofd flitsen dat het je niet lukt er een lijn in te krijgen. Soms flikkeren ze één voor één even op om dan weer uit te doven als een vallende ster en onvermijdelijk te leiden tot die ene conclusie: dat ik gevaarlijk ben en dat er je morgen iets vreselijks te wachten staat, want die test van jou heeft mij pisnijdig gemaakt, heeft mij gekwetst in mijn eergevoel, heeft mij gefrustreerd – omdat ik ‘m nu eenmaal niet oplossen kan – en gefrustreerde psychopaten zijn… dodelijk.
Onzin, hoor. Ik kan je gedachten lezen. Ik ben niet alleen een psychopaat, maar ook een telepaat, hallellujah! Ik weet dat jij ervan uitgaat dat ik het derde citaat wel iets voor Marlowe zal vinden: ‘De roem is als een rivier, die lichte en opgeblazen dingen boven doet drijven en zware en degelijke doet zinken.’
Maar noppes, hoor. N-O-P-P-E-S.
Het derde citaat is van Francis Bacon, de man van wie de kritikasters (m/v) een hele tijd hebben aangenomen dat hij bepaalde toneelstukken zou geschreven hebben die werden toegeschreven aan niemand minder dan William Shakespeare.
Dat we allemaal dwalen, maar dat iedereen anders dwaalt, is dan weer un bon mot uit de mond van Georg Christoph Lichtenberg, een achttiende eeuws natuurkundige. En dat zwijgzaamheid in een dwaas al een teken van verstand is, komt uit de koker van de romantische schilder Eugène Delacroix.
Hebben we nu nog de keuze tussen ‘Ik heb nooit een gezelliger kameraad gevonden dan de eenzaamheid’ en ‘Een tiran zwemt ’t veiligst in een rode gloed’, nietwaar? Het eerste citaat is ook wel wat voor Marlowe; het tweede lijkt regelrecht uit het rode boekje van Mao te komen. Maar het eerste citaat, mijn dom blondje, werd ontleend aan de negentiende eeuwse Amerikaanse auteur Henry David Thoreau…
And now the time has come om toch maar naar de politie te stappen, denk je, en bescherming af te smeken of iets dergelijks. Maar wat kan de politie aanvangen met een aantal emails die door één of andere pipo werden verstuurd vanuit een virtueel Nirwana? Niks. N-O-P-P-E-S.
Je overweegt bij Blogger te protesteren. Op het aanmeldingsformulier staat dat men zich aan een aantal ethische regels moet houden, als men gebruik wil maken van de gratis diensten van deze site. Wie dat niet doet, vliegt er onherroepelijk uit. Maar ik heb uiteraard geen blogspot geopend onder mijn echte naam en adres. Dat snapt zelfs een dom blondje met het brein van een mossel. Blogger kan mij alleen maar uit hun adressenbestand verwijderen en dan vraag ik morgen of overmorgen onder weer een andere valse naam een soortgelijke spot aan.
Wat lost dat op? Niks. Rien du tout. Less than nothing.
Tegen dit soort terreur valt niets te beginnen, mijn ijzeren maagdje. Zolang ik mijn ware identiteit niet kenbaar maak, ben jij machteloos aan mijn grillen overgeleverd. Asjeblief, dankjewel.
Kijk door zijn bedreigingen en zijn scheldtirades heen als door de doorkijkblouse die je wel eens droeg om Stefaantje-met-het-lekkere-banaantje te verleiden je maagdenvliesje aan zijn degen te rijgen. Denk je. Min of meer.
Eerst dreigt hij ermee je levensloop niet alleen virtueel, maar ook daadwerkelijk uit te wissen. En wanneer je zijn regels met de voeten treedt en net het tegenovergestelde doet van wat hij van jou verlangt, besluit hij om hoe dan ook genadig te blijven en je morgen pas een lesje te leren, op een vrijdag die niet eens op een dertiende valt.
Tijd winnen… Bluf… Meer stelt het niet voor.
Ik heb je nodig, ook dàt is overduidelijk. Ik heb je nodig.
Je vraagt je af waarom. Ik ben toch een geniale schrijver en jij bent alleen maar een kritikastertje (m/v), een luis in mijn pels.
Waarom zijn er voor jou geen ‘wisselstukken’ voorradig?
Verlang ik van je… dat je iets schríjft? Over mij? Over mijn boeken? Over Chris & Christopher Marlowe?
Ja, dat moet haast wel… Iets dat ik – de geniale schrijver – om één of andere reden niet zelf kan schrijven.
Enfin, jij bent geen helderziende, nietwaar. Jij niet.
Jij bent geen helderziende en ook geen psychiater. Nee, jij niet.
Jij weet niet wat mij bezielt.
Maar je wordt warm, mijn schatje. Je wordt zelfs aardig heet en je komt vrij dicht in de buurt van wat ik van je verlang, oh yes!

LET OP! ER ZIT EEN VANDAAL IN JE STRAAT!

Mijn voorspelling voor morgen blijft door je hoofd spoken. Welke ramp zal je overkomen?
Je wordt hoe langer hoe banger voor me.
Je plannetje is mislukt. Het heeft geen zin te proberen mij nog verder uit mijn tent te lokken. Het is gevaarlijk.
De tijd is gekomen, denk je, om in te gaan op de eisen die ik in een vorige mail heb geformuleerd. Misschien laat ik je met rust zodra je dat gedaan hebt.
En je zult mij mededelen waarom de historische Marlowe niet gestorven kan zijn op het tijdstip, op de plaats en in de omstandigheden waarvan sprake is in de ‘officiële versie van de feiten’. Het lijkt wel of de tekst in je geheugen gegrift staat.
Je moet en je zult en je slaapt bijzonder slecht in je eenzame bed.
Je ligt de hele tijd onrustig te woelen.
Je rukt de dekens los.
Je trekt ze weer over je heen.
Je probeert zo onbeweeglijk mogelijk te blijven liggen.
Onbegonnen werk, want hoe stiller je ligt, hoe meer jeuk je krijgt. Eerst op je rug, dan in je rechterknieholte, ten slotte tussen je benen.
Uiteindelijk begin je toch maar weer om je as te wentelen als een worstje dat op de barbecue wordt om- en omgedraaid.
Je neemt een geluid waar… Daarbuiten, op straat…
Metaal dat krast op metaal.
Je auto! Zit er iemand aan je auto te prutsen?
Je blijft nog even afwachtend liggen. Wanneer je niks meer hoort, glij je je bed uit, schuifelt naar het raam, schuift de gordijnen een stukje opzij.
Het gelige licht van de lantaarns verleent de straat een ziekelijk kleurtje. Alsof alle bomen en alle geparkeerde auto’s door een vreemde vorm van hepatitis B werden besmet.
Je kijkt naar je wagen. Die ziet er ook wat geliger uit dan bij daglicht, maar voor de rest valt er niets speciaals aan op te merken. Je zult je wel vergist hebben.
Je wil het gordijn dichttrekken, wanneer je blik plots op een magere jongeman valt die een eindje verder aan de overkant van de straat haastig en geluidloos langs de gevels sluipt, om het volgende ogenblik om de hoek te verdwijnen. Heel even maar, nog geen halve seconde misschien, heb je de knaap gezien in het licht van de volle maan, maar het was genoeg om je argwaan op te wekken.
Wat doet die kerel hier midden in de nacht in je straat?
En is het niet zo… dat je hem meent te herkennen? Die houding… Lichtjes voorovergebogen… Als een gorilla… Met zijn lange krabschaarachtige armen…
Onwillekeurig kijk je naar de wekkerradio naast je bed. ’23:59’ staat er in een rood puntjesschrift te lezen.
Wat deed de kerel die je meende te herkennen om 1 minuut (één) voor middernacht in je straat!? Op het spokenuur, nota bene! In de nacht van donderdag op vrijdag, op het moment zelfs dat donderdag op het punt staat te verkeren in vrijdag!
De nacht van donderdag op vrijdag… dat is helemaal geen nacht om uit te gaan…
Voor je geestesoog duikt het beeld op van Chris Marlowe, de tengere jongeman met de sluike haren en het pluizige baardje.
Voor je geestesoog duikt ook het beeld op van een andere jongeman, zoals je die voor jou zag opdoemen, jaren geleden, zijn fel schitterende ogen die je aanstaarden en…
Beeld A en Beeld B vloeien in elkaar over. Een perfecte overvloeier, al zeg ik het zelf.
Is het mogelijk?
Kan deze knaap, technisch gesproken, de onbekende hotmail-auteur zijn die in het holst van de nacht aan je wagen komt prutsen?
No way. Technisch niet en praktisch ook niet.
Dat ventje zit veilig weggeborgen, achter de meervoudige sloten en grendels van Leuven Centraal. Hij kàn Chris Marlowe niet zijn.
Maar het onbehagen, dat gevoel van onveiligheid, van machteloosheid… het wordt sterker en sterker.
Wat moet je doen?
In je doorzichtige nachtjapon de straat op hollen om een jongeman te achtervolgen die ondertussen al spoorloos verdwenen is?
Wat dan met al die mannelijke buren van je die je vanachter hun hel verlichte vensters likkebaardend begluren?
Maar je kunt evenmin lijdzaam afwachten tot de ramp zich voltrekt.
Wat moet je in godsnaam met me aanvangen!?



Wat dadelijk in het oog sprong bij de Zaak Marlowe, was dat de dichter wel heel erg hals over kop begraven werd: amper achtenveertig uur na zijn ‘gewelddadige dood’. Vanwaar die haast? En waarom werd het gerechtelijk onderzoek vervolgens ook al op een drafje afgehandeld? Waarom werden de verklaringen van de betrokkenen – Eleanor Bull, Ingram Frizer, Nicholas Skeres en Robert Poley – zonder meer aangenomen? Ze werden niet eens nagetrokken!
Voor de rest waren de hoofdwonden van Frizer zo onschuldig, dat hij ze zonder enig probleem aan zichzelf had kunnen toebrengen, zodat hij zich erop kon beroepen Christopher Marlowe gedood te hebben uit zelfverdediging. Sommige onderzoekers hebben dan ook geopperd dat Frizer niet handelde uit noodweer, maar dat de drie mannen gemene zaak hadden gemaakt tegen Marlowe en dat de dichter werd vermoord ‘met voorbedachten rade’. Frizer, Poley en Skeres zouden dan, met medeweten van Eleanor Bull, in opdracht van een geheimzinnig en hooggeplaatst heerschap gehandeld hebben. Dit heerschap zou er daarna ook voor gezorgd hebben dat ze geen noemenswaardige problemen kregen met het gerecht. Christopher Marlowe werkte voor de koninklijke geheime dienst. Was deze schimmige organisatie misschien op één of andere manier verantwoordelijk voor zijn dood?
De website ‘waar Marlowe leeft’ vertrekt van een lichtjes andere premisse. Niet alleen Marlowe werkte immers voor de koninklijke geheime dienst; ook Poley, Skeres, Frizer en weduwe Bull waren bij deze organisatie betrokken. Ze waren collega’s, medestanders, zoniet vrienden. Waarom zouden zij Marlowe vermoorden?
De herberg van Eleanor Bull in het drukke havenstadje Deptford, op een paar boogscheuten van Londen, was waarschijnlijk een ‘safe house’ voor geheim agenten die vertrokken naar het continent of terugkeerden naar Engeland. Robert Poley speelde als dubbelagent van sir Francis Walsingham – het hoofd van de koninklijke geheime dienst - een hoofdrol in het zogenaamde ‘Babington Complot’, waarover ik het straks nog zal hebben. Skeres werkte eveneens aan dit complot, onder de hoede van Poley. Frizer was dan weer in dienst van Thomas Walsingham, een neef van het hoofd van de Britse geheime dienst, die op zijn beurt werkzaam was als koerier en spion voor zijn oom. Na de dood van Marlowe zou Skeres eveneens in dienst gaan bij Thomas Walsingham.
Een woordje uitleg over het Engeland van Elizabeth I, de koninklijke geheime dienst en het Babington Complot is hier wel op zijn plaats. De koningin had de anglicaanse kerk namelijk meer macht gegeven om zo een tegengewicht te vormen voor het katholieke Spanje. Maar het gevaar voor een Spaanse invasie bleef bestaan en toen Maria Stuart – de katholieke koningin van Schotland – haar toevlucht moest zoeken in Engeland, vormde zich rond haar persoon al gauw een nieuwe oppositie. Het leven van Elizabeth en het voortbestaan van Engeland werden bedreigd en om beide te beschermen, riep de Engelse koningin een geheime dienst in het leven. Aan het hoofd van deze organisatie kwam sir Francis Walsingham te staan, een ervaren diplomaat die als ambassadeur van de koningin zowat alle Europese hoven had bezocht. Zijn werkzaamheden als minister combineerde hij met zijn activiteiten als hoofd van de geheime dienst. Op zeker ogenblik waren er meer dan vijftig agenten voor hem aan het werk in het buitenland.
In 1586 zette de jonge katholieke edelman Anthony Babington een samenzwering tegen Elizabeth op touw. Zij zou vermoord worden, waarna Maria Stuart – die in Engeland gevangen zat – de troon zou bestijgen. Filips II van Spanje had zijn hulp al toegezegd. Babington voerde een briefwisseling met Maria Stuart, waarin hij haar op de hoogte bracht van zijn plannen. Robert Poley slaagde erin, als dubbelagent van sir Francis Walsingham, het vertrouwen van Babington te winnen en de geheime correspondentie tussen Anthony Babington en Maria Stuart te onderscheppen. Babington was nauwelijks vierentwintig jaar oud toen hij samen met enkele medeplichtigen in september 1586 werd terechtgesteld. Op 8 februari van het volgende jaar besteeg Maria Stuart het schavot.
Het staat vast dat Marlowe, in opdracht van Francis Walsingham, vertrouwelijke meldingen van agenten en buitenlandse ambassadeuren overbracht. Wellicht had hij ook een aantal geheime missies als spion op zijn actief. Hoe dan ook, kort voor zijn dood werkte hij nog voor de geheime dienst.
Het is eveneens een feit dat Marlowe intiem bevriend was met Thomas Walsingham, de neef van sir Francis. Er werd zelfs geopperd dat er een homosexuele relatie tussen beiden bestond. In het jaar van zijn dood logeerde hij in het huis van Thomas Walsingham, vlak bij de hoofdstad. Daar werd hij op achttien mei, twaalf dagen voordat hij een laatste ontmoeting had in het plaatsje Deptford met zijn andere vrienden van de geheime dienst, zonder opgave van redenen gearresteerd en voor de rechtbank gedaagd. Men liet hem weliswaar vrij op borgtocht, maar hij moest zich vanaf dat moment wel dagelijks melden bij de Raad van State in Londen.
De arrestatie van Marlowe was een gevolg van de smaadschriften tegen de regering die in het voorjaar van 1593 waren opgedoken in Londen. De spionnen van de geheime dienst kregen de opdracht de auteur ervan op te sporen en vatten op twaalf mei de toneelschrijver Thomas Kyd bij de lurven, die twee jaar met Marlowe op een kamer had gewoond. Tussen zijn papieren vond men ketterse geschriften, waarvan Kyd beweerde dat ze niet zijn eigendom waren. Hij weigerde de naam van de persoon te noemen van wie ze dan wel waren, maar op een bepaald ogenblik werden de folteringen hem blijkbaar te veel en riep hij uit dat de pamfletten toevallig tussen zijn boeken waren terechtgekomen, en dat ze toebehoorden aan ‘zijn vriend Marlowe, een atheïst met werkelijk monsterachtige ideeën’.
Goddeloosheid stond in die dagen zowat gelijk met ketterij en was een halsmisdaad. Marlowe werd gearresteerd; er hing hem een doodstraf boven het hoofd. In ieder ander geval zou een dergelijke ‘ketter’ nooit meer vrijgekomen zijn, zelfs niet op borgtocht. Maar Marlowe had nu eenmaal machtige en invloedrijke vrienden bij de geheime dienst, zoals Thomas Walsingham, en hij werd toch vrijgelaten.
Sommige onderzoekers hebben gesuggereerd dat Thomas Walsingham en vooral zijn oom Francis wilden voorkomen dat Marlowe alsnog zou verhoord worden in het kader van een proces, dat onmogelijk af te wenden viel. Waarschijnlijk waren er redenen om te vrezen dat de dichter zekere verklaringen zou afleggen, die bepaalde mensen – onder meer bij de geheime dienst – in diskrediet konden brengen. Marlowe was met andere woorden een gevaar geworden voor zijn opdrachtgevers, omdat hij te veel wist over hun duistere zaakjes. Hij moest bijgevolg dringend uit de weg geruimd worden, en wel op zo’n manier dat er niet nog méér vervelende vragen werden gesteld. Er werd een kroegruzie geënsceneerd, met de bekende gevolgen.
De voorstanders van deze hypothese kijken evenwel een aantal belangrijke details in het verhaal over het hoofd, die stuk voor stuk iets anders lijken te suggereren. Ten eerste werd nooit bewezen dat Marlowe ‘te veel wist’ en in staat was voor zijn vrienden, beschermheren en opdrachtgevers compromitterende verklaringen af te leggen. Ten tweede krijgen de vrienden van Marlowe – met zijn zeer intieme vriend Thomas Walsingham op de eerste rij – een wel erg smerige rol toebedeeld in deze hypothese. Frizer, de man die Marlowe doodde, ging meteen na zijn ontslag uit de gevangenis weer in dienst bij Thomas Walsingham, om maar iets te zeggen.
Het probleem waarmee Christopher Marlowe en zijn vrienden in die dagen af te rekenen kregen, was dat er hem een proces boven het hoofd hing, waarin hij ongetwijfeld tot de doodstraf veroordeeld zou worden. Ze hadden hem op borgtocht weten vrij te krijgen, maar dat was slechts uitstel van executie. Als zij Christopher Marlowe een lang en gelukkig leven gunden, dan moest hij zo snel mogelijk het land uit. In dat geval zouden de vrienden die Marlowe telde bij de geheime dienst er evenwel als eersten van verdacht worden hem daarbij geholpen te hebben, en dan kwamen zij ook in de problemen.
Anderzijds was het voor deze doorgewinterde agenten en dubbelagenten een koud kunstje op hun eigen terrein - het ‘safe house’ van Eleanor Bull in Deptford - een schijnruzie met fatale gevolgen te ensceneren. Aan de lijkschouwer kon daarna wellicht het lijk van een andere jongeman getoond worden, die een vage gelijkenis met Marlowe vertoonde, indien deze lijkschouwer tenminste niet vatbaar was voor omkoping of voor enige druk van sir Francis Walsingham.
Moderne medici sluiten overigens uit dat de wond, aangetroffen op het lichaam van de man die doorging voor Marlowe, dodelijk geweest zou zijn. In ieder geval kon de wond onmogelijk geleid hebben tot de ‘onmiddellijke dood’ van Christopher Marlowe. Mogelijk hebben de vrienden van Marlowe dus gewoon ergens een vers lijk opgehaald, en een wond ‘post mortem’ toegebracht. Vergeten we ook niet dat de pest woedde in Deptford: aan verse lijken zal er wel geen gebrek geweest zijn.
Het was, kortom, perfect mogelijk voor Marlowe en zijn vrienden de dood van de toen al beroemde én beruchte toneelschrijver en dichter te ensceneren en hem te laten onderduiken in het buitenland. Op het continent bijvoorbeeld, waar deze heren van de geheime dienst gedurende de afgelopen jaren een heel netwerk van ‘contacten’ hadden opgebouwd, onder meer ook in Vlaanderen. Doctor John Dee bijvoorbeeld, een gerespecteerd man van de wetenschap én tegelijk een groot ‘magiër’, zou onder dat magisch mom ook werkzaam geweest zijn als spion voor sir Francis Walsingham, zowel in Antwerpen als in Praag.

Dit moet een afdoende antwoord zijn op de vragen die je me gesteld hebt, neem ik aan. Het is inderdaad best mogelijk dat Christopher Marlowe nog leefde na zijn ‘dood’ in 1593 en dat hij onderdook in Vlaanderen.
Maar waarom wil je dat van me horen, Chris?
Jouw eerste boek, Vrouwenvel, dateert van 1993, op de kop af vierhonderd jaar later.
Daarom?
Ik moet ervan overtuigd zijn dat Christopher Marlowe nù nog leeft als Chris Marlowe… dat is het toch? En daarom moet ik er eerst van overtuigd worden dat Christopher Marlowe niet gestorven is in 1593.
Is dat het, Chris?
Maar wààrom moet ik er dan van doordrongen zijn dat de grote Christopher Marlowe nog leeft?
Je hebt het over een ‘samenwerking’ gehad tussen jou en mij, over hulp die je van mij verlangt.
Verlang je dat ik een kritiek schrijf over je werk, Chris, in het licht van het bovenstaande? In de wetenschap dat jij niemand minder bent dan een (herboren? wedergeboren?) Christopher Marlowe?
Zeg het mij, Chris. Asjeblief! Laat mij niet langer in het duister tasten!
Waarom heb je mij anders gecontacteerd? Mij? Jouw kritikaster (m/v)?
Kritikaster rijmt op laster… Wil je dat ik de lasterlijke aantijgingen over je werk terugtrek?

Op de website Marlowe Leeft!… wordt gesteld dat Christopher Marlowe niet alleen de dertigste mei van het jaar 1593 overleefde, maar dat hij daarna ook – ondergedoken in Vlaanderen – vlijtig poëzie en toneelstukken bleef produceren. Uiteraard kon hij dat niet meer doen onder zijn echte naam, want voor de wereld was Christopher Marlowe dood en erg haastig begraven. Er moest dus een stroman gezocht worden, die zijn naam wilde lenen aan de stukken van Marlowe… en die stroman werd door de vrienden van de dichter en toneelschrijver gevonden in Stratford-upon-Avon, waar een onaanzienlijk acteur woonachtig was, die luisterde naar de naam William Shakespeare…
Verlang je van mij dat ik in een groot kritisch werk aantoon, Chris, dat Chris Marlowe niet alleen Christopher Marlowe is, maar dat hij ook de werken van William Shakespeare heeft geschreven?
Is het dàt wat je van mij verlangt, Chris?
Zeg het mij!

EEN NIEUWE CLAUS

Een nieuwe Claus, een oude Kloos,
Een Vlaamse bakkersdochter.
De recensente grijpt in haar doos,
Kan het nog vergezochter?

Een laatbloeier, een pionier,
Een nieuw geluid met pruikje.
Een Vlaamse Schaak-mijn-Spier,
Een Mulisch met een buikje.

Een fenomeen, een groot artiest,
Een Dante met bretellen.
Die bigamist wordt finalist:
De Keizer van Kapellen.

Een Weense worst, een soort Piaf,
Meer schrijvers dan wij lezen.
De echte schrijver vraagt zich af:
Kan ik mijzelf nog wezen?


Je hebt de hele nacht geen oog dicht gedaan.
Je schrijft het artikel waarvan je hoopt dat het mijn honger zal stillen, mijn honger naar jou.
Je schrijft het artikel waarvan je hoopt dat het mijn dorst zal lessen, mijn dorst naar literaire roem en eer en de erkenning waar ik al jarenlang naar smacht, waar ik al eeuwenlang op wacht.
Je schrijft het artikel waarvan je hoopt dat het mijn woede zal sussen.
Misschien bereikt het mij nog tijdig, hoop je.
Misschien bereikt het mij nog tijdig en trek ik mijn straf in, voor zover die nog in te trekken valt.
Misschien…

De krant en het weekblad heb je al afgebeld.
Die verkoudheid hé. Je bent niet aan werken toegekomen.
De respectieve hoofdredacteuren toonden veel begrip.
Vrijdagavond word je in Brussel verwacht, op de VRT, voor je wekelijkse radiopraatje bij Klara.
Dat zou je eventueel ook nog kunnen annuleren, met het excuus dat je al eerder gehanteerd hebt: die drommelse verkoudheid. Voor vrijdagnamiddag staat er evenwel, eveneens op de VRT, een belangrijke afspraak in je agenda genoteerd met de producer van een gloednieuw algemeen cultureel televisieprogramma, waarin jij een belangrijke rol zou gaan spelen. De Meningen van een Dom Blondje die je tot een BV hebben gebombardeerd, de pin-up van de literaire intelligentsia, krijgen mogelijk een staartje. Eventueel zit er zelfs een programma in, gebouwd rond jouw eigen blonde persoontje. De natte droom van de professionele kritikaster (m/v)! Een eigen talkshow, godsamme!
Als je die afspraak annuleert, leg je je professionele toekomst in de weegschaal. En voor wie? Voor wat?
Voor mij natuurlijk. Voor mijn Zaak.
Ben ik dat waard? Nee. No. Non. Nein. En nog eens nee.
Heeft dat zin? Je afspraak annuleren? Maybe.
Hoewel, hoewel… Ik kan je makkelijker thuis overvallen en een oor afsnijden of wat dan ook met jou aanvangen dat mij zint op dat moment dan wanneer jij je op de openbare weg bevindt of in een druk omroepgebouw. Een kwestie van getuigen, nietwaar. Thuis zijn er geen en zowel op de openbare weg als in het gebouw van de omroep zul je veilig zijn voor mij, te midden van al die perfecte vreemdelingen.
Gewoon voorzichtig zijn, denk je.
Voor alle zekerheid eerst de auto laten checken, denk je.
Kapotte remmen, losgeschroefde wieldoppen… in je op hol geslagen verbeelding is zowat alles mogelijk. Zelfs een bom. Een booby trap.
Straks toch maar even naar de pechdienst bellen. Of ze iemand kunnen sturen, want je wagen doet het niet.


Sketch ‘Pech Onderweg’

hulpverlener:
Het zal de batterij wel zijn… Met dat koude weer van de afgelopen dagen zijn er heel wat beestjes die niet willen starten.
dom blondje:
Ik denk dat eraan geknoeid is…
hulpverlener:
Geknoeid!? Door wie? Waarom?
dom blondje:
Ik heb de laatste tijd euh… nogal wat bedreigingen ontvangen. En vannacht hoorde ik zo’n vreemd geluid. Volgens mij is er aan mijn wagen geprutst…
hulpverlener:
Zou u dan niet beter de politie optrommelen in plaats van de pechdienst, mevrouw?’
dom blondje:
Het is juffrouw en de politie, och… Je weet toch ook wat ze aanvangen met klachten tegen onbekenden? Neenee, kijk jij ‘m maar eens na.
hulpverlener:
Maar wàt moet ik dan nakijken?
dom blondje:
Weet ik veel. De banden. De wieldoppen. De remleidingen. Alles waaraan geknoeid kan worden…
hulpverlener (achterdochtig):
Zeker dat u hier de politie niet wil bij betrekken?
dom blondje:
Doe nu maar wat ik je vraag en waarvoor ik je betaal, oké?
hulpverlener:
Jamaar, wij zijn een pechtverhelpingsdienst en geen automobielinspectie, hé me… juffrouw!… Ik kan toch onmogelijk alle wagens preventief beginnen na te kijken…
dom blondje:
Ik begrijp het al. We regelen wel iets. Hier.

Het dom blondje diept uit haar portefeuille een briefje van vijftig euro op.

hulpverlener:

O maar… dat was echt niet nodig, hoor!

De hulpverlener moffelt het briefje snel weg in zijn broekzak en zonder verder nog een woord te verspillen aan het dom blondje begint hij de wielen van haar wagen te inspecteren. Hij opent de motorkap en met een schroevendraaier in zijn ene en een koppel sleutels in zijn andere hand, zet hij zijn onderzoek verder. Nu en dan probeerde hij een moer aan te draaien of verricht hij een handeling waarvan elke zin het dom blondje ontgaat.
Stilzwijgend slaat zij hem gade. Het dom blondje voelt zich al even onbeholpen als die eerste keer bij haar gynaecoloog… die vreemde man voor wiens vreemde ogen zij zich helemaal moest uitkleden. Merkwaardig hoe deze hulpverlener met zijn glurende ogen haar hetzelfde gevoel geeft als de tastende ogen van de gynaecoloog destijds (en nu nog).

hulpverlener:

Niks te vinden!

Hij klapt de motorkap dicht.

hulpverlener:

Dat karretje van u, dat is pico bello in orde, me… juffrouw!
dom blondje:
Zeker van? Je hebt toch niks over het hoofd gezien?
hulpverlener:
Als er niks te vinden is, kan ik ook niks te voorschijn toveren, hé.
dom blondje:
Neen, dat zal wel niet…Maar we kunnen misschien toch eerst nog even een testritje maken.

Testritje? Ammehoela!
Heb je de blik van die arme hulpverlener goed gezien?
Nee?
Die zou je anders heel wat kunnen vertellen hebben over de hoogte waarop hij je IQ inschatte.
(Weet jij, tussen haakjes, hoe een dom blondje haar rijbewijs haalt? Op de achterbank van de lesauto!)
De professionele hulpverlener stapt in zijn wagen, waar je hem het briefje van 50 euro nog snel uit zijn broekzak ziet halen en in zijn portefeuille stoppen. Dan tuft het gele wagentje al de straat uit, op weg naar een volgende pechvogel.
Hoewel je nu eigenlijk toch een tikje gerustgesteld zou moeten zijn, voel je je absoluut niet op je gemak. Ben ik dan zo gewiekst dat ik zelfs een specialist terzake te slim af kan zijn?
Je doet een zwoel parfum op, want je wil die producer straks kost wat kost imponeren. Als je de ogen sluit, ruik je verschroeid rubber, lekkende olie, verbrand vlees en luister je naar het scheurende geluid van remmen en plooiend plaatijzer.
Je probeert je te concentreren op het verkeer. Het is volop gaan regenen en de vrachtwagens die je op de snelweg voorbij rijdt, blazen een bijna ondoordringbaar gordijn van water op, zodat je de ruitenwissers in de hoogste stand moet zetten om tenminste nog iets te kunnen onderscheiden.
Onwillekeurig kijk je naar het wijzertje dat je snelheid aangeeft. Honderdentien kilometer per uur…
‘Afremmen, baby!’ schiet het door je hoofd. ‘Afremmen!… Stel dat je nu een klapband krijgt, dat de motor blokkeert of dat je een wiel verliest, wat ga je dan beginnen?’
Je vermindert geleidelijk vaart en laat je afzakken naar de rechterrijstrook. Hoewel je daar net achter een ultra traag en veel te zwaar geladen bakbeest terecht komt, besluit je toch te blijven waar je bent.
Ondanks de controle die de wegenwachter die morgen heeft uitgevoerd, ben je er nog altijd niet gerust in. Je wordt geplaagd door het gevoel dat je elk moment één of ander vreemd defect aan je wagen kan zien verschijnen. Een verborgen gebrek dat pas na vierendertig kilometer rijden zichtbaar wordt, om maar iets te zeggen.
Je betrapt jezelf op voortdurende nerveuze blikken in de achteruitkijkspiegel. Word je achtervolgd? Blijven die twee gele lichtjes daar niet bijzonder lang op dezelfde afstand van je wagen hangen? Maar als je nog wat vaart mindert en nu gevaarlijk traag over de snelweg tuft, steken de lichtjes je toch voorbij. Vanuit je ooghoeken zie je achter het stuur een onopvallende vrouw van een jaar of veertig. Ze is vergezeld van een grote hond die op de achterbank met zijn tong uit zijn muil naar de auto’s en de regen zit te staren. Een scène uit een onopvallende, ietwat kleurloze televisiefilm. Niks aan de hand…


Hoewel je zo traag hebt gereden, ben je nog bijna een half uur te vroeg voor de vergadering. De producer neemt je kritisch op en vraagt of je ziek bent. Je knikt. Hij zegt dat hij het merkt: hoeveel kilo’s heb je verloren? Je zegt dat je het niet weet. (Het zijn er twaalf: twee voor elke dag die je met mij hebt doorgebracht en waarin je nauwelijks een hap door je keel hebt gekregen.)
De producer merkt op dat je je in ieder geval moet verzorgen, als je voor de televisie wil werken.
‘De uiterlijke verschijningsvorm is van het grootste belang,’ zegt hij.
Een eufemisme. Eigenlijk bedoelt hij dat je niet meer om aan te zien bent.
En het ergste is dat je hem niet eens ongelijk kunt geven. Je bént niet meer om aan te zien, sinds je met mij bent gaan samenleven.
‘Ik ben alleen maar een beetje grieperig,’ snauw je hem toe. ‘Het gaat wel over.’
De vergadering wordt een fiasco. Je bent er met je gedachten niet bij. Je bent bij míj, niet bij hém. Hij neemt formeel afscheid.
Je probeert wat te eten in de mess. Je handen trillen. Je leeft al een week bijna uitsluitend op zwarte koffie. Ik begin mijn tol te eisen, niet alleen psychisch, maar ook lichamelijk. Stilaan verworden tot een wrak… is dit het lot dat je werd beschoren door mij?
Nu nog je radiopraatje afhaspelen…

De technici van dienst en de regisseur werpen je vreemde blikken toe en informeren bezorgd naar je gezondheid. Vanwaar die zwarte kringen onder je ogen? Vanwaar die koortsig gloeiende wangen?
‘Oververmoeid,’ zeg je. ‘En die verkoudheid hé.’
Je stemt trilt. Gelukkig heb je de tekst die je zult voorlezen al geschreven nog voor ik in je leven ben verschenen. Je verspreekt je een aantal keren, maar je doet het – alle omstandigheden in acht genomen – prima. Vind je.
Je begeeft je naar je wagen die je achtergelaten hebt op de bezoekersparking van de VRT. Zou ik ondertussen aan je wagen geprutst hebben?
Kon ik? Zou ik? Wilde ik?


Je hebt geen zin de nacht door te brengen in een hotel in Brussel. Je stapt in. Er ontploft geen bom. Je besluit wel de radio niet aan te zetten, zodat je eventuele haperingen aan de motor of sinistere geluiden in het koetswerk snel zult horen.
Brussel-Antwerpen, bij valavond…
In normale omstandigheden doe je er een half uur over, aan 120 kilometer per uur.
Nu doe je er bijna dubbel zo lang over. Je durft nauwelijks meer dan 70 rijden.
Een zware Mercedes die links van je voorbij komt stuiven, snijdt je brutaal de pas af.
Je moet flink op de remmen staan.
Zat ik achter het stuur? Zat ik? Zou ik?
Nee. Nee natuurlijk niet.

Er is geen parkeerplaatsje meer vrij in de straat waar je woont. Je rijdt het blokje om en laat je wagen achter bij een parkje. En daar staat hij plotseling voor je: een zwerver - een duivel uit een doosje.
‘Christ,’ mompelt hij. ‘Christ! Christ! Christ!’
Hij draagt, ondanks het gure weer, geen jas. Alleen een roodzwart ruitjeshemd. Je herinnert je het portret van Christopher Marlowe: zijn hemd, zwart en rood.
Een jonge vent, lang en mager. Bleek ook. Met van die spottende ogen die dwars door je heen lijken te kijken. Lange sluike haren. Pluizig baardje. Hij wasemt een doordringende dranklucht uit en staat ook bepaald onvast op zijn benen.
Je zwaait dreigend met je paraplu. Die heb je speciaal meegenomen om mij van je af te meppen, als dat nodig mocht zijn.
‘Laat me met rust,’ sis je de jongeman toe. ‘Laat me met rust of…’
‘Ik wilde gewoon efkes met je meelopen, poppetje! Meer niet!’
Hij raakt je inderdaad met geen vinger aan. Maar hij blijft wel met je meelopen.
En jij, jij begint te rennen.
En hij, hij rent met je mee.
En jij, jij struikelt en valt pardoes in een plas.
En hij… hij lacht hikkend.
‘Enig idee waarom een dom blondje de luiers van haar baby pas om de maand ververst?’ hikt hij.
Je schudt het hoofd.
‘Op de doos stond: tot tien kilo!’
En hij zwalpt er vandoor.
En jij?
Jij krabbelt recht, moeizaam en doornat.
Jij zwalpt naar huis.
Jij gooit de deur achter je dicht.
Jij hoort de telefoon overgaan.
Jij kijkt op de klok: het is precies 00.00 uur.
Niet opnemen, denk je.
Want ík ben dààr, aan de andere kant van de lijn.
Je weet het zeker. Ik ben daar.
Ik.
Ik zal je uitlachen.
Omdat ik je zo de daver op het lijf heb gejaagd.
En waarvoor?
Voor niks.
Ik ben het.
Je weet het zeker.
Ik.
En je neemt niet op.
Je hebt er de kracht niet meer voor.
Meningen van een Dom Blondje:

Een psychopaat die boeken schrijft onder het pseudoniem Chris Marlowe, omdat hij gelooft dat de geest van Christopher Marlowe in zijn lichaam woont. De Christopher Marlowe die niét stierf in 1593, in Deptford, maar die onderdook in Vlaanderen en daar de stukken van William Shakespeare schreef…
De psychopaat wil ‘dat de wereld het weet’… en wie is de persoon bij uitstek om dit nieuws aan de openbaarheid prijs te geven en hem in één moeite door voor het oog van de wereld te rehabiliteren?
Die persoon bij uitstek, dat is een dom blondje.
Zoals dat wel meer het geval is bij psychopaten, heiligt het doel de middelen. Als je wat nukkig begint te doen, neemt hij al gauw zijn toevlucht tot bedreigingen, maar zelf ten tonele verschijnen doet hij niet. No way.
Dat lef heeft hij niet. Denk je.
Opnieuw voel je je gesterkt, omdat er in wezen niets gebeurd is op de zwarte vrijdag die ik je voorspelde.
Tegelijk ben je diep onder de indruk van mijn inlevingsvermogen. Want precies in het feit dat er niets gebeurde, zat de ‘straf’ die ik voor jou in petto had, besef je. Precies in de inktzwarte nachtmerrie waarin dat wachten op niets resulteerde...
Maar toch, maar toch…
Je voelt je gesterkt, ongetwijfeld. Omdat je er eindelijk in geslaagd bent een werkhypothese te formuleren, waarmee je de merkwaardige inhoud van mijn brieven kunt verklaren en uitzicht meent te krijgen op mijn oogmerken en mijn finale doelstelling.
Als je hypothese overeenstemt met de werkelijkheid en je komt tegemoet aan de wensen en verlangens van je virtuele correspondent, dan maak jij eigenhandig een eind aan een succesvolle en nog steeds veelbelovende carrière als kritikaster (m/v).
Je schrijft het literair-historische essay dat ik bij je heb besteld en rehabiliteert in één moeite door de schrijver die je voorheen zo hebt verguisd. Je schrijft jouw boek naar het gekende recept van de door jou zo verfoeide Chris Marlowe: ‘Boeken over historische mysteries doen het vrij aardig, tegenwoordig. Vraag het maar aan Chris Marlowe. Zijn recept is eenvoudig: voeg aan het historisch mysterie een psychopaat toe en een snuifje magie, breng het op smaak met een quasi-literair stijltje en enige trendy randverschijnselen, en giet de hele zooi in de vorm van een thriller.’ En wat zal het resultaat zijn?
Een publiek succes, welzeker. Een instant bestseller.
Daarna: het Zwarte Gat. Het Totale & Algehele Niets.
Want andere boeken in hetzelfde genre zitten er niet in.
Je carrière als professionele kritikaster (m/v) mag je wel op je buik schrijven - uit de literaire commissies weggehoond, in het weldenkende literaire milieu met een scheef oog bekeken en voor academici en andere intellectuelen een voorwerp van spot geworden: ‘Heeft zij een slag van de molen gekregen? Wat heeft haar in godsnaam bezield? Vanwaar deze onaangekondigde, algehele & totale ommezwaai? Hoeveel vertrouwen kunnen wij nog stellen in en hoeveel geloof mogen wij nog hechten aan het oordeel van een kritikaster (m/v) die compleet het noorden is kwijtgeraakt, die zich op een dergelijke manier volkomen ongeloofwaardig heeft gemaakt, die zichzelf in diskrediet heeft geschreven en het gild waartoe zij behoorde evenzo?’
Het antwoord is: nul komma nul.
Nul komma nul vertrouwen zul je nog krijgen.
Nul komma nul geloof zal men nog hebben in jou.
Kul, zal men zeggen. ’t Is kut, maar ’t is kul.
En vergeten zal men je niet.
En vergeven zal men je nooit.
Het vuige spel dat je hebt gespeeld. Het masker dat je hebt opgezet. De vloek die je hebt uitgesproken. De onuitgesproken erecode die je hebt verbroken. De integriteit die je hebt verkwanseld.
Nooit & nimmer meer zal men vergeten, zal men vergeven.

En dat zal dan mijn wraak zijn.
Ah, de ondergang van de Titanic!
Dat zal dan mijn werk zijn.
En mijn eigen boeken – de boeken van Chris Marlowe … Zij zullen zo mogelijk nog hogere commerciële toppen scheren. Want jij, mijn kritische blonde eminentie, jij zult de wereld laten weten hoe je tot die ene verbluffende slotsom bent gekomen en op welke manier Chris Marlowe je zo ver heeft gekregen.
Jij zult de wereld laten weten dat Chris Marlowe niet alleen de rechtstreekse literaire erfgenaam is van Christopher Marlowe, maar ook van William Shakespeare.
Jij zult de wereld laten weten dat je jarenlang in onwetendheid gedwaald hebt, dat je drie vreselijke misstappen begaan hebt, dat je kritische vermogens ontoereikend gebleken zijn om de verwantschap tussen Chris en Christopher Marlowe en de grote William Shakespeare te herkennen en dat je mij nodig had om je de ogen te openen en het licht te zien.
Jij zult het grote publiek vertellen dat de vrienden van Christopher Marlowe – Thomas Walsingham voorop - hem onmogelijk ‘met voorbedachten rade’ kunnen vermoord hebben, en dat hij daarom ook niet vermoord wérd in Deptford.
Jij zult in je eigen woorden vertellen hoe een slachtoffer van de pest de rol van het lijk van Christopher Marlowe op zich heeft genomen en hoe de echte Christopher Marlowe, ondergedoken in Vlaanderen, de toneelstukken van William Shakespeare begon te schrijven.
Vertel het me dus nù, mijn dom blondje.
Repeteer het dus nu het nog kan.
Vertel het mij.
Vertel het eerst aan mij alleen en dan… Dan mag je het rustig ook aan de rest van de wereld vertellen.
Asjeblief, mijn ijzeren maagdje… Want ik zou niet graag een In Memoriam schrijven voor mijn IM…
Van de grootste toneelschrijver uit de wereldliteratuur zijn veel stukken bekend, maar niet één versregel, zelfs geen enkele brief die hij eigenhandig heeft geschreven. Er bestaat geen levensecht portret van William Shakespeare en in het jaar van zijn overlijden, 1616, stond niet eens vast welke drama’s hij in feite geschreven had. Pas zeven jaar later gaven collega-acteurs de stukken uit die voortaan als de zijne zouden worden beschouwd.
In de loop der tijden hebben vorsers vaak geopperd dat de schimmige toneelspeler William Shakespeare, over wiens jonge jaren bitter weinig bekend is, slechts een stroman was die door een andere, hooggeplaatste persoon om gewichtige redenen naar voor werd geschoven. Deze man zou een veelzijdige opleiding genoten hebben en ook bekend geweest zijn met de hofetiquette, wat van de armoezaaier William Shakespeare – ooit als stroper voor de rechtbank gesleept – niet gezegd kon worden. Deze man zou dan ook de ware auteur zijn van dit machtige oeuvre, waarin op een diepzinnige wijze zowat alle menselijke hartstochten worden ontleed, en waaruit een enorme kennis blijkt van de hoofse zeden, filosofie en literatuur, geschiedenis, rechtswetenschap en etiquette.
Uiteraard bestaan er allerlei documenten over Shakespeare – sommige zelfs door hem ondertekend -, waaruit blijkt dat hij wel degelijk werd geboren (op 23 april 1564 in Stratford-upon-Avon), op zijn achttiende trouwde (met de acht jaar oudere Anna Hathaway), vader werd (van Susanne en later van de tweeling Hamnet en Judith) en overleed.
Omstreeks 1590 woonde hij in Londen – zijn familie liet hij achter in Stratford - en begon hij stilaan naam te maken in theaterkringen, eerst als acteur en later misschien zelfs als auteur. Zo liet de schrijver Robert Greene zich in een pamflet nogal spottend uit over ‘een komediant die ook toneelstukken schreef’. Volgens Greene was deze vent ‘een parvenu, die met andermans veren pronkte’. Hij noemde hem ‘Shakescene’ (‘de schudder van de scene’). Het was echter pas in 1593, het jaar van Marlowe’s dood, dat de naam ‘Shakespeare’ voor het eerst verscheen op een officiële spelerslijst.
In 1595, twee jaar nadat Christopher Marlowe van het toneel verdween, was Shakespeare mede-eigenaar en dus een van de leiders van Lord Chamberlain’s Men, een theatergroep met een uitstekende reputatie, die vaak optrad voor koningin Elizabeth en later voor koning Jacobus. Hun succes was ongetwijfeld mede het gevolg van de stukken die ze speelden, en die alweer aan ene William Shakespeare werden toegeschreven – een naam die op diverse manieren gespeld werd. In 1599 werd Shakespeare mede-eigenaar van de beroemdste schouwburg uit die tijd, het Globe-theater, en later zou hij ook aandelen verwerven in het Blackfriars theater.
In 1597 kocht de acteur/auteur enkele stukken grond en het op een na grootste huis van Stratford. Hoewel hij nu een welgesteld man was, liet hij ontstellend kleine bedragen, die hij in de loop der jaren had uitgeleend, langs gerechtelijke weg innen. De grote William Shakespeare was met andere woorden een kleinzielige vrek en een woekeraar. Nochtans trok de schrijver van The Merchant of Venice precies ten strijde tegen de plaag van de woeker, zoals Christopher Marlowe dat ook had gedaan in zijn stuk The Jew of Malta. Beide auteurs kunnen trouwens verdacht worden van een niet eens zo latent antisemitisme.
In 1610 of 1611 keerde Shakespeare terug naar Startford, bij zijn familie die hij daar achtergelaten had, om er zes jaar later te overlijden. Hij schreef een testament van drie pagina’s – het testament van een vrekkige zakenman, die zijn wereldse goederen minutieus beschrijft en verdeelt, tot zijn potten en pannen toe. Hij liet zijn vrouw, die zwarte sneeuw had gezien terwijl hij in Londen zat, hun ‘op één na beste bed’ na.
Velen hebben gesteld dat dit testament niet het testament was van een dichter. In Will’s laatste wil kwam geen enkel boek voor, geen toneelstuk, geen gedicht, geen manuscript van welke aard ook. Had hij na zijn Londense jaren dan helemaal niets meer geschreven? En een zo erudiet schrijver als William Shakespeare moest toch wel erg gehecht zijn aan zijn rijkelijke bibliotheek?
‘Niemand kan bewijzen dat Shakespeare van Stratford-on-Avon bij leven en welzijn ook maar één enkel toneelstuk of één enkele brief schreef,’ merkte Mark Twain ooit op. ‘Niemand kan bewijzen dat hij bij leven en welzijn ooit meer dan één brief ontving. Niemand kan bewijzen dat hij ooit meer dan één enkel gedicht schreef.’
Dat ene gedicht in kwestie was dan nog een karamellenvers, zijn grafschrift:
Good friend of Iesus sake forbeare/ To digg the dust encloased heare:/ Blest be ye man yt spares thes stones/ And curst be he yt moves my bones. (Vrij vertaald, klinken de laatste twee regels als volgt: Gezegend zijt gij die spaart mijn botten,/ hij die mijn rust verstoort, kan oprotten.)
Tot dusver werden er meer dan vijftig kandidaten ontdekt die de drama’s en sonnetten van Shakespeare hadden kunnen schrijven. Onder hen de staatsman en filosoof Francis Bacon, die alles had waar het Shakespeare aan ontbrak: een klassieke opleiding, contacten met de adel en een gedegen juridische kennis. Jammer genoeg voor Bacon legde hij nooit enige waardering aan de dag voor het theater en waren de gedichten die hij schreef niet bepaald staaltjes van hoogstaande poëzie.
Onder de talloze kandidaten treffen we ook de toneelschrijver Ben Jonson en diverse leden van de Engelse aristocratie aan, van wie werd aangenomen dat het voor een edelman ongepast was verzen te schrijven of in een toneelstuk een politieke mening te verkondigen. Maar zelden werd de kandidatuur van deze heren gesteund door min of meer sluitende bewijzen.
Van al deze would be Shakespeare’s beschikt Christopher Marlowe – indien hij niét omkwam in een ordinair kroeggevecht in het jaar 1593 – over de meest geloofwaardige geloofsbrieven. Hij wàs al een groot dichter en toneelschrijver toen hij op jeugdige leeftijd ‘overleed’; hij had een universitaire opleiding genoten en hij was bekend met de hoofse zeden en gewoonten.
Minder dan twee weken na de ‘schijndood’ van Christopher Marlowe verscheen er van de in werkelijkheid ondergedoken of verbannen dichter een episch liefdesgedicht, Venus and Adonis, voorzien van een opdracht aan een edelman en vriend van Marlowe, maar ondertekend als ‘William Shakespeare’ – zowat het officiële debuut in druk van de voorheen onbekende poëet met deze naam.
Dit is althans de thesis van de ‘Marlovians’, die van mening zijn dat de ondergedoken Christopher Marlowe verantwoordelijk is voor het werk van Shakespeare.
De opdracht opent met een Latijns citaat uit de vijftiende elegie van het Eerste Boek van Ovidius’ gedichten, die eerder al door Marlowe was vertaald. ‘Na zijn dood ontvangt ieder man waar hij recht op heeft,’ schreef Marlowe daarin. ‘En hoewel de dood mijn beenderen roostert in het vuur van de begrafenis, zal ik leven,/ en terwijl de dood me neerdrukt, zal ik nog hoger klimmen.’
Het jaar daarop verscheen een ander episch gedicht onder hetzelfde pseudoniem. The Rape of Lucrece is een sombere vertelling over verloren eer en wroeging, die eindigt met zelfmoord en… eeuwigdurende verbanning. Dit laatste thema komt in het werk dat aan Shakespeare wordt toegeschreven trouwens veelvuldig voor, evenals het thema van ‘de vermeende dode’.
Voorbeelden? Slechts één uit de vele: Romeo and Juliet, 1597. ‘Ha! Banishment! Be merciful, say “death”/ For exile hath more terror in his look, / Much more than death. Do not say “banishment”.’ – Romeo verkiest met andere woorden de dood boven verbanning!
Elders in Romeo and Juliet droomt Romeo ervan dat zijn meisje hem dood aantreft, merkt hij op dat het vreemde dromen zijn waarin een dode man nog kan nadenken, en krijgt hij vervolgens ‘leven ingeblazen met een kus’. In Venus and Adonis is het Adonis die Venus ‘leven inblaast met een kus’ en in een gedicht dat Marlowe nog tijdens zijn ‘officiële leven’ schreef, Hero and Leander, gebeurt in identieke bewoordingen nog eens net hetzelfde.
In de verzen 1424 tot en met 1429 van The Rape of Lucrece is Lucrece in contemplatie verzonken voor een wandtapijt van de Trojaanse Oorlog. Ze merkt op dat ‘voor het beeld van Achilles een speer staat/ gekneld in een gepantserde hand; hijzelf erachter blijft ongezien/ behalve dan door het geestesoog’. Merkwaardig toch hoe voor de held Achilles ‘a spear’ staat, waardoor men de held niet meer fysiek kan waarnemen… Is het niet zo dat ook het beeld van Marlowe werd vertroebeld door Shakespeare, die er als het ware vóór ging staan? Die zijn naam op de werken van Marlowe zette? Met goedkeuring van Marlowe, jazeker. Het kon niet anders. Maar steken blééf het. De noodzaak nam de pijn niet weg.
Het wandtapijt was er overigens één van het type dat gemaakt werd door Julio Romano uit Mantua. Zijn naam duikt ook op in A Winter’s Tale; het is één van de zeldzame keren dat ‘Shakespeare’ een bestaande artiest bij name noemt. Heeft Marlowe ook een tijdje in Italië ondergedoken gezeten?
‘Ik sterf, het schandaal zal mij overleven,’ zo lezen we verder nog in The Rape of Lucrece… In Sonnet 74 dat aan ‘Shakespeare’ wordt toegeschreven, keert hetzelfde thema terug en is er bovendien sprake van een arrestatie, een lichaam dat door toedoen van een dolk dood is achtergebleven en het niet toekennen van een borgsom. Het zijn elementen die we kennen uit het levensverhaal van Marlowe, niet uit dat van Shakespeare.
Sonnet 73 van ‘Shakespeare’ heeft het dan weer over de asse van een jeugd en een doodsbed waarop een vuur moet uitgaan, ‘consum’d with that which it was nourish’d by’ (verteerd door dat waarmee het gevoed werd). Het ook in deze bladzijden reeds genoemde, beroemde portret van Christopher Marlowe werd aangetroffen in het Corpus Christi College, waar hij studeerde. In de linkerbovenhoek droeg het een inscriptie met de datum, zijn leeftijd en zijn motto: ‘ANNO DNI 1585… AETATIS SVAE 21… QVOD ME NVTRIT ME DESTRVIT’. Oftewel: ‘In het Jaar Onzes Heren 1585, op de leeftijd van 21 jaar… Wat mij voedt, vernietigt mij.’ Is het een toeval dat het motto van Marlowe figureert in een gedicht van Shakespeare?
Gedurende vijftien jaar zou Marlowe de stukken van Shakespeare blijven schrijven, stellen de ‘Marlovians’. Pas in 1623, dertig jaar nadat Marlowe van de scene verdween en zeven jaar na de dood van zijn ‘stand-in’ uit Stratford, werden de Shakespeare-stukken van Marlowe verzameld en uitgegeven in de beroemde First Folio.
De dood van de grote Shakespeare had oorspronkelijk totaal geen indruk gemaakt op de literaire incrowd, alsof iedereen de woorden van Robert Greene geloofde – die overigens ook niet bepaald een vriend van Marlowe mocht genoemd worden -, namelijk dat hij ‘met andermans veren pronkte’. Maar nu, zeven jaar later, wilde men blijkbaar nog gauw één en ander goed maken en had Ben Jonson het plotseling over ‘de zwaan van Avon’. Merkwaardig genoeg werden de zeer populaire epische gedichten waarmee de carrière van Marlowe’s pseudoniem begon uit deze verzamelde werken weggelaten.
In de ‘postuum’ uitgegeven werken van Christopher Marlowe wemelt het eveneens van vreemde verwijzingen, suggesties en uitspraken. Vijf jaar na de vermeende dood van Marlowe, brengt diens vriend Edward Blount ‘uit respect voor de nagedachtenis van de dichter’, in twee delen het epische gedicht Hero en Leander uit, dat door weer een andere vriend van Marlowe voltooid zou zijn. Blount draagt de uitgave op aan sir Thomas Walsingham, de zeer intieme vriend van Marlowe, en schrijft in zijn inleiding dat zij – Thomas Walsingham en hijzelf – zich niet ontslagen achten van de plichten die ze hebben ten opzichte van hun gemeenschappelijke vriend. Ook niet nadat ze diens ‘ademloze lichaam naar de aarde gebracht hebben’ (duidelijk een dichterlijke overdrijving, want het lijk van de persoon die moest doorgaan voor Christopher Marlowe werd erg haastig gedumpt in een armoedig graf).
‘Want hoewel het oog daar voor altijd afscheid heeft genomen van dat geliefde voorwerp,’ schrijft Blount verder nog, ‘heeft de indruk van de man die ons dierbaar was en die leeft na het leven in onze herinnering, in onze geest verdere begrafenisrituelen opgeroepen, die wij verplicht zijn aan de afgestorvene.’
Hoewel er voortdurend sprake is van dood en begrafenisrituelen, krijg je onwillekeurig de indruk dat hier iets anders gezegd wordt dan er staat. Door de wat vreemde en verwarde formulering heeft de tekst een dubbelzinnig karakter gekregen, alsof men praat over een ‘schijndode’ tegenover wie men nog verplichtingen heeft. Of zoek ik nu spijkers op laag water?
Goed, laten we het dan nog even over Thomas Thorpe hebben… Net zoals Blount was Thorpe een uitgever die ervoor zorgde dat de werken van Marlowe in druk bleven tijdens zijn ‘eeuwigdurende ballingschap’. In een brief aan Blount heeft Thorpe het over Chris Marlowe, ‘van wie de geest of het Genie werd waargenomen, wandelend over het kerkhof, in – op zijn minst – drie of vier lakens gewikkeld.’
Thorpe laat zich nogal ironisch uit over de geruchten die de ronde doen over hun gemeenschappelijke vriend. Zijn formulering getuigt ook van weinig respect voor die overleden vriend, gesteld dat hij werkelijk dood zou zijn. Is hij dat niet, dan wordt de toon van Thorpe’s brief plotseling veel juister. Dan zit hij zich hier gewoon vrolijk te maken over de domme buitenwereld, want hij en Blount – samenzweerders onder elkaar – weten wel beter. Zij werden immers ingewijd in het geheim!
Nog een laatste vraagje, bij wijze van uitsmijter… Kende Christopher Marlowe de acteur uit Stratford-on-Avon en wist hij dat die graag zijn naam zou lenen aan de mystificatie die door Marlowe en zijn invloedrijke vrienden werd opgezet?
Het is mogelijk. Het is in ieder geval een feit dat één van de bekendste stukken van Christopher Marlowe, Tamburlaine the Great, dat bijzonder succesvol was in de jaren voor Marlowe’s ‘dood’, wemelt van metaforen waarin het werkwoord ‘to shake’ en het zelfstandig naamwoord ‘spear’ prominent aanwezig zijn.
‘Thy words are swords’ stelt Marlowe in dat stuk – ‘uw woorden zijn zwaarden’. En vervolgens: ‘Now Turks and Tartars shake their swords at thee.’ – ‘Shaking their swords, their spears…’ – ‘His spear menaces death and hell.’ – ‘Lances shaking in the air…’ – ‘With shivering spears…’ – ‘Leaves that autumn shaketh down…’ – ‘So shall our swords, our lances…’ – ‘I long to break my spear upon his crest…’ – ‘He now is seated on my horsemen’s spears…’ – ‘Death, sitting in scarlet on their armed spears.’ – ‘With their quivering spears…’

0 reacties:

Geld verdienen met een blog over je hobby? Het kan hier:

Neem een kijkje op Patrick Bernauw Online Squidoo voor een origineel teambuilding moordspel of stadsspel!...
Of beter nog, maak zelf een "lens" bij Squidoo, over je passie, je hobby, je idool,... Het is makkelijk en je verdient er nog een centje aan!
 
Neem hier een vliegende start: